‘k Verlang naar huis, naar ’t Vaderhuis daarboven.
en naar Gods Vaderhart.
‘k Verlang naar huis, na ’s werelds woelig sloven,
na aardse zonde en smart.
Met duizend wensen trad ik in dit leven.
Een wens is mij nog bijgebleven,
een kiem der hoop, zelfs onder ’t zwaarste kruis.
‘k Verlang naar huis.

‘k Verlang naar huis, ‘k ben moede van uw lijden,
o wereld vol van schijn.
In Uw vreugde kon ‘k me niet verblijden.
Wien ’t lust, moog vrolijk zijn.
Wijl (als) God het wil, wil ik mijn kruis nog dragen,
mij moedig in ’s levens kampstrijd wagen.
Maar in ’t geheim zucht ik bij ’t aards gedruis:
‘k Verlang naar huis.

Halleluja, aan dat verlangen wordt zeker eens voldaan.
Een lied der hoop mag vrij de zucht vervangen.
Een blijde lach, de traan.
O zalig zij die aan dit heimwee lijden.
Zij zullen zich in eeuwigheid verblijden.
Als ’t stervensuur slaat, ontvlucht de ziel haar kluis,
en snelt naar huis.